De Leerling – Module 6

Verschillende Typen wezens

Let op: Deze module is nog niet in het Nederlands vertaald!

In deze module kijken we naar een aantal verschillende typen wezens, hoe de magiër daarmee werkt, en waarom. Het eerste waar je nu over na moet gaan denken is het concept van goed en kwaad. Naarmate we in de lessen vorderen kijken we naar wezens die als ‘slecht’ worden beschouwd en naar anderen die we als ‘goed’ beschouwen. Het is belangrijk dat een magiër de volgende vraag stelt: “goed of slecht voor wie?” We hebben de neiging om de wereld vanuit een menselijk perspectief te bekijken omdat we mensen zijn (je meent het), maar wat slecht is voor een mens is vaak goed voor een ander wezen of schepsel.

Dit is een fundamentele vraag voor magiërs omdat het ons uit de om de mens draaiende wereld haalt en ons plaatst te midden van een gemeenschap van wezens, schepsels, krachten en landmassa’s. In de laatste paar decades zijn de Westerse samenlevingen veranderd van samenlevingen van burgers waarbij iedereen bijdroeg aan het algemeen goed, naar een samenleving van consumenten waar iedereen slechts oog heeft voor zichzelf. Dit is ook doorgedrongen in religie en magie, wat weer doorwerkt op hoe we met magie omgaan en met alles om ons heen.

Hoewel dat egocentrische perspectief altijd een deel is geweest van de mensheid (het is in wezen een overlevingsmechanisme) is het toch gedurende lange tijd nooit zo gepolariseerd of uitgebreid geworden als het heden ten dage is. Dit heeft gevolgen gehad voor hoe magie wordt bedreven, en dat heeft op zijn beurt weer een diepe invloed op hoe we ons met alles om ons heen verbinden.

Met dat in je achterhoofd als je de verschillende lessen leest en doorwerkt, let dan steeds op de volgende fundamentele vraag: “goed of slecht voor wie?”

Deze module behandelt niet alle wezens, omdat dat onmogelijk is en niet nodig in deze fase van de training. De module werpt echter wel een licht op een aantal van de wat meer centrale wezens die westerse magiërs waarschijnlijk tijdens hun magische training tegen gaan komen. Naarmate je verder komt in de cursus zal je begrip van de rijkdom aan verschillende wezens zich langzaam uitbreiden als je meer van de enorm diverse innerlijke en uitwendige gemeenschap via je werk tegenkomt.


Informatie Over de studie

LEES DIT VOORDAT JE AAN DE CURSUS BEGINT

 1. Houd een eigen tempo aan Sommige modules kunnen gelijktijdig worden gedaan en andere niet. Je zult snel inzien welke lessen wekelijkse oefeningen zijn die doorlopen en welke je afzonderlijk op moet focussen. Werk een rooster uit voor je studie/experimenten dat voor jou werkt. Er loopt geen stopwatch mee en het is geen race.

2) Maak zowel op papier als digitaal aantekeningen. dat is erg belangrijk. Zorg dat je een oefenschrift hebt voor elke module. Geef duidelijk aan bij welke les de aantekeningen horen en berg het schrift op als je de module hebt afgerond. Het is belangrijk dat je je werk zowel op papier als op je computer hebt. Doe je opstellen en schriftelijke opdrachten op een computer en sla ze op ook op een USB stick zodat je een veilige kopie hebt.

Als je een mentor wilt hebben voor je Ingewijde en Adept training, dan zul je deze digitale en geschreven aantekeningen als onderdeel van je aanvraag moeten overleggen. Zonder de aantekeningen kun je geen mentor toegewezen krijgen.

3) Leer om flexibel te zijn en je aan te passen. Als je iets in de cursus tegenkomt waarvan je niet zeker weet hoe je het moet doen of dat je niet volledig begrijpt, neem dan wat afstand en denk er over na. Het is belangrijk dat je je leert hoe je je moet aanpassen, experimenteren en vooruit gaan zonder dat je elke stap telkens opnieuw uitgelegd moet krijgen – als je vast komt te zitten, werk dat dan zelf uit.

4) Loop niet vluchtig door de lessen heen. Dan leer je dus niets en je zult je niet goed ontwikkelen. Doe langzaam aan en neem je tijd. Sla ook geen lessen over, ook niet als je denkt dat je het onderwerp al goed kent.


Vergeet niet, twintig minuten per dag oefenen is veel beter dan een of meer uren twee keer per week. Weinig maar vaak is de sleutel.”

— Josephine McCarthy